
Wet gebruik Friese taal in het rechtsverkeer
Artikel 1
1
Hij die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, is bevoegd in plaats van de wettelijk voorgeschreven woorden de daarmede in de Friese taal overeenkomende woorden uit te spreken, tenzij de woorden van de eed, belofte of bevestiging bij de Grondwet of mede bij de Grondwet zijn vastgesteld.
2
In het geval, bedoeld in het voorgaande lid, treden:
a
indien een eed wordt afgelegd, voor de woorden: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig" in de plaats de woorden: "Sa wier helpe my God Almachtich";
b
indien een belofte wordt afgelegd, voor de woorden: "Dat beloof ik" in de plaats de woorden: "Dat ûnthjit ik", en indien een bevestiging wordt afgelegd, voor de woorden: "Dat verklaar ik" in de plaats de woorden: "Dat ferklearje ik".
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.